Uit de praktijk: eigentijds gebruik van het gemeentelijk voorkeursrecht

donderdag 1 november 2018 Geschreven door Olaf van den Broek

In onze praktijk merken wij dat de vraag naar de
mogelijkheden tot vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht het laatste jaar sterk is toegenomen. De aantrekkende economie en het woningtekort zijn hier mede de oorzaak van. Om het woningtekort te verhelpen heeft onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Kasja Ollongren, aangegeven dat de bouwproductie moet groeien naar gemiddeld 75.000 woningen per jaar tot 2025.  Of dit realistisch is, moet nog blijken. In een onlangs verschenen artikel vreest het Economisch Bureau van ABN AMRO voor grondspeculatie door bouwbedrijven en een lagere woningproductie als gemeenten niet meer bouwgrond aankopen.  Om grondspeculatie tegen te gaan, biedt de vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht uitkomst. 

Wat houdt het gemeentelijk voorkeursrecht in?
Het gemeentelijk voorkeursrecht biedt gemeenten (of de provincie of het Rijk) de mogelijkheid om grondeigenaren bij een voorgenomen vervreemding te verplichten hun gronden eerst aan de gemeente aan te bieden. De gemeente heeft dus een eerste recht van koop. Om een voorkeursrecht te vestigen dient de gemeente een zogeheten aanwijzingsbesluit te nemen. In dit aanwijzingsbesluit dient onder meer beargumenteerd te worden dat het huidige gebruik van de betreffende gronden afwijkt van de toegekende (of toegedachte) bestemming en dat deze bestemming een niet-agrarische is. Een voorkeursrecht kan gevestigd worden vooruitlopend op de vaststelling van een structuurvisie of bestemmingsplan, maar ook als er al een structuurvisie of bestemmingsplan is vastgesteld.  

Eigentijds gebruik van het gemeentelijk voorkeursrecht
Bij het merendeel van de gemeenten heerst de gedachte dat een vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht per definitie gepaard moet gaan met aankoop van de met het voorkeursrecht belaste gronden door de gemeente. In onze praktijk, onder meer bij de gemeente Amsterdam, zien wij dat deze gedachte achterhaald is. De doelstelling van het gemeentelijk voorkeursrecht in de zin van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: 'Wvg') betreft onder meer het houden van een regierol bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Indien een grondeigenaar zijn gronden niet aan de gemeente, maar aan een projectontwikkelaar wenst te verkopen, is dit onder omstandigheden mogelijk. De grondeigenaar dient in dat geval een schriftelijk verzoek tot vrijstelling van de aanbiedingsplicht in het kader van de Wvg aan de gemeente te doen. De gemeente kan dan besluiten om een vrijstelling te verlenen en daarbij beperkingen op te leggen. Zij kan bijvoorbeeld bepalen dat de vrijstelling enkel geldt voor een vervreemding aan een projectontwikkelaar die de toegedachte bestemming op een door de gemeente voorgestane wijze wil realiseren. Het is dan belangrijk om niet alleen afspraken te maken met de grondeigenaar, maar ook met de projectontwikkelaar. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een driepartijenovereenkomst, waarin de prestaties over en weer worden vastgelegd. De doelstelling van de Wvg, het behouden van de regierol bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente, blijft hiermee gewaarborgd.

Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet
Dit eigentijds gebruik van de Wvg sluit aan bij een nieuwe mogelijkheid die onder de Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet aan het voorkeursrecht wordt geboden. Op de hoofdregel dat de gronden als eerste aan de gemeente zullen moeten worden aangeboden, wordt met de Aanvullingswet Grondeigendom Omgevingswet (volgens de internetconsultatie-versie van 1 juli 2016) een nieuwe uitzondering gemaakt. Het gaat hier om de situatie waarin een eigenaar een concrete en actuele mogelijkheid heeft om een overeenkomst te sluiten gericht op het verwezenlijken van de in het plan toegekende bestemming, in overeenstemming met de eisen die daaraan worden gesteld.

In die gevallen kan het bevoegd gezag besluiten vrijstelling te verlenen voor deze vervreemding wegens gewichtige redenen. De gemeente verwerft de grond in dat geval niet, maar is door de aan de vrijstelling verbonden voorwaarden wel verzekerd dat de toegekende bestemming zal worden verwezenlijkt.

Conclusie
De praktijk laat zien dat niet gewacht hoeft te worden op de Omgevingswet. Ook de huidige Wvg staat er niet aan in de weg dat er een vrijstelling op de aanbiedingsplicht (al dan niet met beperkingen) wordt verleend, zodat tot vervreemding kan worden overgegaan.