Kenbaarheid van overwegingen bij onteigening onder de Omgevingswet

donderdag 26 januari 2017 Geschreven door Erik Pekelder

Overheden kunnen - onder strikte voorwaarden -
gronden onteigenen ter realisering van plannen in
het algemeen belang, wanneer de verwerving daarvan niet slaagt. Daartoe kan het algemeen bestuur van de betreffende overheid een verzoekbesluit tot onteigening indienen bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst. Rijkswaterstaat voert vervolgens de zogenaamde administratieve onteigeningsprocedure, resulterend in een Koninklijk Besluit tot onteigening ('KB'). Op basis daarvan kan de betreffende overheid voor de rechtbank de (gerechtelijke) onteigeningsprocedure voeren.

In de administratieve onteigeningsprocedure wordt eerst een ontwerp-KB ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen daarover bij Rijkswaterstaat zienswijzen indienen. In de KB's worden de zienswijzen omschreven en -uitvoerig- beantwoord. Door voortdurende bestudering van de KB's wordt duidelijk wat de lijn van beoordeling van Rijkswaterstaat is over de in de zienswijzen aan de orde gestelde onderwerpen.

Driedeling
De onteigeningswetgeving wordt opgenomen in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2019 in werking treedt. Onder de Omgevingswet besluit de overheid weer zelf om benodigde gronden ter onteigening aan te wijzen, na advies van een centrale adviescommissie en na behandeling van zienswijzen. Tegen die beschikking staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State. Wordt geen beroep ingesteld, dan wordt maar in beperkte mate kenbaar welke overwegingen in de betreffende zaak aan de orde waren. Wordt wel beroep ingesteld, dan vindt de beoordeling van onteigeningsbeschikkingen dus door meerdere instanties plaats, daar waar nu één organisatie (Rijkswaterstaat) over alle verzoekbesluiten oordeelt. Hierdoor lijkt een driedeling te ontstaan in de beoordeling van onteigeningsbeschikkingen:

  1. De beantwoording van zienswijzen door de overheid wanneer geen beroep wordt ingesteld;
  2. De beoordeling door de verschillende rechtbanken ingeval van beroep in zaken die vervolgens niet aan de Raad van State worden voorgelegd, en;
  3. De beoordeling die voortvloeit uit de uitspraken van de Raad van State in die zaken waarin wel hoger beroep wordt ingesteld.

Door de bezwaar- en beroepsmogelijkheid zal de procedure enerzijds langer duren, maar lijkt er anderzijds een diffuse beoordeling van onteigeningsbeschikkingen te gaan ontstaan.

Lees meer over dit onderwerp in mijn blog: Bestuursrechter krijgt vaste rol bij onteigeningsprocedure.