Afwijzing planschade aanvraag wegens voorzienbaarheid met succes aangevochten

dinsdag 7 november 2017 Geschreven door Addie Streefkerk

Voorzienbaarheid is een van de criteria waaraan een
aanvraag tegemoetkoming planschade getoetst wordt. Om
voorzienbaarheid te kunnen aannemen is bepalend of er ten tijde van de aankoopbeslissing een zodanig kenbare schadeveroorzakende overheidsmaatregel was dat hiermee bij de aankoopbeslissing rekening kon worden gehouden[1]. Over dit onderwerp bestaat al veel rechtspraak. De uitspraak die ik hieronder behandel betreft een uitbreiding van de rechtspraak die positief uitpakt voor de aanvragers.

De casus

Aanvragers hebben een verzoek om tegemoetkoming in planschade ingediend vanwege de inwerkingtreding en het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan Oudwijk, Kromme Rijn e.o. te Utrecht[2]. Zij zijn eigenaar geworden van de woning en grond op 30 juni 1986. Ten tijde van de aankoopbeslissing gold het bestemmingsplan Abstede. Aan een deel van dat bestemmingsplan was op 6 april 1982 door gedeputeerde staten van Utrecht goedkeuring onthouden aan de bestemmingsvlakken Parkeergarage en Woondoeleinden IV (gronden achter de woning van aanvragers), omdat niet aannemelijk was dat deze nieuwe bestemmingen binnen tien jaar tot uitvoering zouden worden gebracht.  Het college volgt de adviseur in het besluit dat strekt tot afwijzing van het verzoek wegens voorzienbaarheid.

Uitspraak in beroep

Uit de uitspraak blijkt dat de rechtbank Midden-Nederland heeft overwogen dat het college het uitgebrachte advies tot afwijzing van de aanvraag aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen[3]. Dat het college goedkeuring heeft onthouden aan het betreffende deel van het bestemmingsplan betekent niet dat het beleidsvoornemen van de gemeente is gewijzigd tussen 1982 en 2010 of onwenselijk geacht wordt of is uitgesloten. De waardedaling dient voor rekening van appellanten te blijven. Het ingestelde beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak in hoger beroep[4]

De Afdeling bestuursrechtspraak is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het besluit van gedeputeerde staten van Utrecht tot onthouding van goedkeuring in de weg staat aan het aannemen van voorzienbaarheid. Gedeputeerde staten hadden geconstateerd dat de eigenaar van de gronden geen plannen had om woningbouw te realiseren en de vanouds bestaande gebruiksvorm wilde voortzetten. Ook constateerde gedeputeerde staten dat de gemeente geen actief beleid kon voeren voor de realisering van woningen vanwege het feit dat de verwervingspost voor gronden als Abstede als stadsvernieuwingsgebied was geschrapt. Appellanten hadden dus ten tijde van aankoop van de woning niet behoeven te voorzien dat het beleidsvoornemen van het bestemmingsplan Abstede nog ten uitvoer zou worden gebracht. Ruim 20 jaar later heeft het college van burgemeester en wethouders pas een concreet voornemen openbaar gemaakt om
ter plaatse woningbouw te realiseren. Het college had geen actieve risico aanvaarding aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag mogen leggen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Appellanten hebben uiteindelijk gelijk gekregen bij de Afdeling bestuursrechtspraak en met succes de ongegrondverklaring van het beroep aangevochten. Als goedkeuring is onthouden aan bestemmingen en de motivering daarvan is zodanig dat daaruit afgeleid kan worden dat geen woningen binnen de planperiode opgericht zullen worden en dit bovendien past in het gevoerde beleid, kan afwijzing van een aanvraag wegens voorzienbaarheid met succes worden aangevochten.


[1] ABRS 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:763.

[2] ABRS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2928.

[3] Rechtbank Midden-Nederland 27 februari 2017, 15/4991.

[4] ABRS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2928, rechtsoverweging 6.